
In het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) heeft de wetgever wijzigingen aangebracht in de regelgeving voor instellingen van algemeen nut. Deze wijzigingen houden onder meer in dat voor de toepassing van de Wet IB 2001, de Wet vpb 1969 en de Successiewet 1956 slechts die instellingen als algemeen nut beogend worden aangemerkt, die als zodanig zijn aangewezen bij beschikking van de inspecteur. Deze beschikking is een constitutief vereiste. Zie voor de vereisten om te kwalificeren als ANBI het Besluit van de Minister van Financiën d.d. 1 februari 2007. De regelgeving is op 1 januari 2008 in werking treden.
Een instelling moet aan de volgende voorwaarden voldoen om te kunnen worden gerangschikt als algemeen nut beogende instelling:
- De instelling mag op grond van de regelgeving en feitelijke werkzaamheden geen winstoogmerk hebben;
- Uit de regelgeving van de instelling moet blijken dat de instelling het algemeen belang dient;
- In de regelgeving van de instelling dient te zijn voorzien in de wijze waarop na ontbinding van de instelling moet worden omgegaan met een eventueel batig liquidatiesaldo. Er wordt verlangd dat de regelgeving van de instelling ten minste waarborgt dat de vereffenaar het saldo bij vereffening van de instelling slechts mag aanwenden ten behoeve van een andere algemeen nut beogende instellingen, dan wel voor doeleinden waarmee het algemeen belang wordt gediend;
- Zowel uit de regelgeving van de instelling als uit de feiten moet blijken dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dit vereiste beoogt onder meer de afhankelijkheid jegens donateurs en begunstigden te waarborgen. De inspecteur mag inzage vragen in de informatie die bij de instelling redelijkerwijs beschikbaar kan zijn met betrekking tot donateurs en begunstigden. Bovendien mag noch een natuurlijk persoon, noch een rechtspersoon rechtens of feitelijk de meerderheid van de zeggenschap hebben;
- De instelling mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de (voorziene) werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling. Er is geen wettelijke termijn waarbinnen de instelling haar donaties en vermogensinkomsten moet besteden, als het maar slechts wordt aangehouden indien dit redelijkerwijs nodig is om de continuïteit van de instelling te waarborgen;
- De leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt (bijvoorbeeld de bestuurders) mogen voor de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden, geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en tevens een niet bovenmatig vacatiegeld;
- Een instelling moet beschikken over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan. Het beleidsplan is een geschrift waarmee inzicht wordt gegeven aan de doelstelling van de instelling. Dit mag ook een meerjaren beleidsplan zijn, mits het actueel is;
- De kosten van verwerving van gelden en de beheerkosten van een instelling moeten in redelijke verhouding staan tot de besteding ten behoeve van het doel van de instelling;
- De administratie van de instelling moet zodanig zijn ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:
- de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de
instelling dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden; - de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van de verwerving van gelden en het beheer van de instelling alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling;
- de aard en omvang van de inkomsten van de instelling;
- de aard en omvang van het vermogen van de instelling.



Wij zijn mede gespecialiseerd in het landgoederen- regime. Kijkt u daarvoor op onze speciale website
Regelmatig publiceren wij artikelen in landelijke vakbladen